Lezen is luisteren met je ogen. / Een vraaggesprek met Rob van der Linden.
31 maart 2025
Lezen is luisteren met je ogen
In maart 2024 ontving ik op het adres van de uitgeverij een merkwaardig pakket. Het bevatte houtblokken, aanmaakhoutjes en een doosje lucifers met Hebreeuwse letters erop. Eronder zat een lijvige map met een begeleidend schrijven: ‘Hier is mijn manuscript. Voor naast de openhaard – niet erin. Ik schreef het om door Magonia te worden uitgegeven. Uw logo staat alvast op het omslag. Een schrijver mag dromen, nietwaar? Rob van der Linden.’
Ik kende de auteur, van een tijd geleden. Wat was dit? Waarom Magonia? Ik liet Van der Linden weten dat ik de eerste honderd pagina’s zou lezen. Dat werd het gehele manuscript. En nog eens. Hier was een verteller aan het werk. ‘Lezen is luisteren met je ogen,’ opent hij zijn roman, die als titel heeft: De Heuvel.
Ik open de aanhalingstekens en laat de schrijver aan het woord.
***
‘Je vraagt wat de twee vertellers van het verhaal met elkaar te maken hebben. Het antwoord schuilt in de titel: dat is De Heuvel. Een vreemde heuvel in Galilea waarop ik zelf heb gewoond, in een slaperig dorpje op de vlakte van Asher. Daar werd, toen ik er was, een mozaïek uit de Byzantijnse tijd gevonden. Al achtendertig jaar staat die op de achterwand van mijn geheugen geëtst. De personages eromheen kwamen vervolgens uit de lucht vallen, waar volgens mij de verhalen wonen. Allereerst Procopius, de biograaf van keizer Justinianus, die de Geheime geschiedenis schreef waarin zijn broodheer rondspookt in het paleis en zijn vrouw de vreselijkste dingen doet. Hij stuurt zijn zoon naar Galilea om het daar te verstoppen. Die wil dat in de hemel doen en begint een toren te bouwen. De Almachtige is daarvan niet gediend en treft De Heuvel met een vloek. Ieder die er vertoeft zal in slaap vallen en zich bij het ontwaken niets meer herinneren van wat hij eerder van plan was. Zo stond de eerste draad op het vertelgetouw.’
Vehikels
‘Toen maakte Haroen ar Rashid zijn opwachting, de kalief die door slapeloosheid werd geplaagd. Als hij nu eens naar die heuvel ging – maar hoe kreeg ik hem daar? Ik begon in mijn hoofd terug te reizen. Haroen kreeg rond het jaar 800 een delegatie van Karel de Grote op bezoek. Waarom? Wel, de verhalen raakten op en een reiziger had aan de kalief verteld dat er in het land van de Friezen een verhalenschat op pootjes rondliep: Bernlef. Bernlef was van zijn blindheid genezen door de monnik Liudger. Die gaat met het reisgenootschap mee en houdt een logboek bij. Ziedaar verteller nummer een.’
‘Ook Abraham Kuyper diende zich aan. Hij maakte in 1906 een reis rond de Middellandse Zee. Ik verslond zijn verslag daarover. Als ook hij nu eens bij die heuvel terecht kwam! Toen kwam mijn alter ego om de hoek: Matthias Bredius. Hij zou met Kuyper meereizen, als pupil van deze geweldenaar. Van die reis houdt ook Matthias een logboek bij dat hij zijn Geheime geschiedenis noemt. Ziedaar verteller nummer twee. Allebei zijn ze de vehikels die de verbeelding verder dragen.’
‘De vertelling speelt in vervlogen jaren en ook weer niet. Sommige personages leven nog. Andere leven voort in de geschiedenisboekjes. Soms laat ik Matthias dingen opschrijven in toekomend verleden tijd. Hij heeft weet van gebeurtenissen die nog niet hebben plaatsgevonden. Hoe kan dat? Hebben we hier te maken met een valse vertelling? De toehoorder mag het uitmaken.’
Meester Izzy
‘Zo stonden de leidende draden van mijn verhaal op het getouw en begon het weven – alles in mijn hoofd. Vanaf dat moment begonnen de personages en hun belevenissen uit de lucht te tuimelen, als rijpe appelen in mijn schoot. Ik verwonderde mij altijd over Jacob Israël de Haan, de Joodse laaglander die wars was van het extremisme in zijn tijd en die daarvoor de hoofdprijs moest betalen. Zou zijn verhaal in het mijne passen? Ik schouwde zijn leven en ontdekte dat hij een opleiding aan de Haarlemse kweekschool had gevolgd. Aansluiting! Matthias zit op de oefenschool waar de kwekelingen hun lessen in praktijk brengen. Zo leert hij De Haan – ‘Zeg maar meester Izzy’- kennen en met hem diens pacifisme, reislust en het manuscript van De Geheime geschiedenis. Dat pacifisme en die warsheid van extremisme zal Matthias in zijn latere leven in praktijk brengen op… De Heuvel in Galilea.’
Pijnlijk actueel
‘Toen ik in Israël woonde, speelde ik in een bandje met Joodse post-Holocaust-jongens, dronk ik koffie bij de Druzen van Abu S’jnan en ging ik aan de zuip met de Arabieren die in het veld hun watermeloenen bewaakten. Ik was erbij toen de eerste intifada uitbrak – om iets lulligs – en hoe de geesten zich andermaal scheidden. Ik zag hoe scholen hun uitwisselingsprojecten tussen Joodse en Arabische kinderen staakten en een onderwijzer zoals Meester Izzy zijn roeping aan de wilgen hing. Ik wist dat de mensen massaal werden bespeeld door Arabische oligarchen en Joodse machtspolitici en hoe de media naar hun pijpen dansten. Ik besefte dat dit macabere mechanisme van alle tijden is, knipte dat uit onze tijd en plakte het in het Ottomaanse en later Britse Palestina, waar Matthias op De Heuvel een toevluchtsoord bestiert voor iedereen die voor oorlog en geweld op de vlucht is. Als iemand opmerkt dat het gedeelte van de roman dat daar speelt pijnlijk actueel is, is dat goed gedacht. Ik volgde de uitschieters van nu tot aan de wortels van toen. Meer is het niet!’
Prikkebeen
‘Nu begon het daadwerkelijke schrijven. Geloof het of niet: toen ik het verhaal eenmaal voor mij zag, stond het in dertien weken op papier. Als Prikkebeen rende ik met een vlindernet achter de woorden aan die voor mijn ogen dwarrelden. De beer was los – ik had mijn vertellerstoon te pakken – Gerda, mijn Lief, hield me uit de wind, las mee en haalde de fouten eruit – ik maakte schrijfdagen van soms wel twintig uur, van de ochtend tot in het Blauwe Uur voor zonsopgang. Waar ik dat deed? In – zoals Cat Stevens dat verwoordde – “A simple garden with acres of sky.” Niet voor niets is dat het citaat op de schutpagina van het boek. Voor wie ik dat deed? Voor het verhaal dat ik uit de lucht mocht plukken om bij zijn lezers te brengen. Via de enige uitgever voor wie ik het wilde schrijven.’
‘Daarna ging het rap. Zoals ik het ervaar, Lex: als uitgever wilde je met mij in zee, als liefhebber stortte jij je op de tekst en als voorwaardenschepper bouwde je daar een stevig team omheen: De Heuvelploeg. Voor een tekst die in dertien weken geschreven is, heb je voor de eindredactie wel een paar maanden nodig. Annelize van Dijk deed dat met haar grote geduld en fabelachtige kennis van onze taal. Eric J. Coolen tekende de illustraties. Esther van Gameren goot zijn tekeningen en het binnenwerk in zijn uiteindelijke vorm: een kloek, gebonden boek. In het tiende jaar van Magonia. Een feest voor de geest!’
LJ